‘Lezen is tv in je hoofd’

7 januari 2019

Je hoeft geen speciale gave te hebben, of een “theatraal type” te zijn om een goede voorlezer te zijn, zegt kinderboekenschrijver, voorleesexpert en oud-schooldirecteur Jacques Vriens. ‘Voorlezen is geen theater, met een paar eenvoudige tips kun je een prima voorlezer zijn.’ Een interview over het belang van (voor)lezen. 

‘Voorlezen is geen theater, met een paar tips kun je een prima voorlezer zijn.’

Voorlezen vroeger niet met de paplepel ingegoten

Voorlezen? Dat werd er in huize Vriens niet met de paplepel ingegoten. Zijn ouders hadden een hotel en waren daar erg druk mee. ‘Wij moesten veel zelf doen. Wel luisterden mijn broer en ik elke middag naar kinderprogramma’s op de radio, op die manier zette ik mijn verbeelding toch aan het werk.’ 

Arendsoog was het omslagpunt

Het omslagpunt kwam op het moment dat zijn leraar in de vierde klas (groep 6) Arendsoog voorlas. Toen was hij om. Hij verslónd de serie. ‘Hij las voor met veel emotie, spektakel en drama. Prachtig. We hoefden ook niet netjes rechtop te zitten, maar zoals we zelf wilden. Ik lag dan met mijn armen over elkaar, en zág het verhaal voor me. Dat was het kantelpunt.’

Goed voorlezen: tips

Het betekent overigens niet dat je net als Vriens’ leraar een theatraal type moet zijn om goed te kunnen voorlezen. De schrijver: ‘Zeker niet! Voorlezen is geen toneelspelen. Met een paar eenvoudige tips kun je een prima voorlezer zijn.’

Rustig lezen is er een: ‘Neem de tijd, vertraag. Dat maakt het spannend. Daarnaast: geef een klein beetje extra met je stem, verhoog of verlaag af en toe. Dat geeft het verhaal kleur. En voeg je eigen komma’s in het verhaal, speel met de zinnen.’   

Lezen en voorlezen op de school van Jacques Vriens

Zijn liefde voor lezen en voorlezen nam hij mee als jonge leraar, en later als schooldirecteur, het onderwijs in. Er werd in advertenties voor nieuwe leerkrachten expliciet naar gevraagd: een grote affiniteit met lezen, voorlezen en jeugdliteratuur. ‘Onze school stond bekend om de fantastische bieb, met alle ruimte, ontzettend veel boeken en altijd open. Leerlingen konden ieder moment nieuwe boeken halen als ze wilden. Ik herinner mij dat als een groot warm bad.’ 

Lezen vraagt iets extra's van jezelf

Er komen vandaag de dag ontzettend veel prikkels op kinderen af; tv, YouTube-filmpjes, games en Netflix strijden om de aandacht. Een gegeven en ook niet erg, volgens de schrijver. Maar toch: ‘Lezen en voorlezen, dat vraagt iets extra’s van je. Je zet je verbeelding en empathische vermogen aan het werk. Je bent actief bezig met je hoofd, terwijl film je een kant en klaar verhaal voorschotelt. Ik zie lezen dan ook als “tv in je hoofd”: de lezer vormt zijn eigen beelden bij het verhaal. Je stijgt boven jezelf uit.’ 

Voorlezen en woordenschat

Ook uit onderzoek blijkt telkens weer: kinderen die al op zeer jonge leeftijd worden voorgelezen hebben daar veel profijt van. Vriens merkte dat ook: ‘Als voorlezen gebeurt vanaf het moment dat baby’s niet meer “bijten maar kijken” in boekjes, dan heeft dat ontzettend veel invloed op hun latere woordenschat. Kleuters die voorgelezen zijn, komen naar school met een woordenschat van 4000 woorden. Ik wist het meteen als er niet was voorgelezen thuis. Dan begin je al met een achterstand. Als ik ouders vertelde dat goed kunnen lezen óók van invloed is op de leerprestaties, of bijvoorbeeld op de Cito-toets – dat is praktisch 85 procent lezen voor kinderen, dan gingen ze recht zitten en had ik hun aandacht.’ Vriens wil er maar mee zeggen: leeservaring en voorlezen zijn ontzettend belangrijk. ‘Daar heb je ongelofelijk veel aan in de rest van je leven.’

 Ik wist het meteen als er niet was voorgelezen thuis. Dan begin je al met een achterstand.

Voorlezen in de praktijk: leefkinderen en leeskinderen

In een ideale wereld worden kinderen dus veel voorgelezen en lezen leerlingen zelf met groot plezier. Dat de dagelijkse praktijk weerbarstiger is, weet hij ook. Als vader probeerde hij zijn jongste zoon aan het lezen te krijgen: ‘Annie M.G. Schmidt zei eens: jij hebt leefkinderen en leeskinderen. Mijn jongste was een echte doener, hij las zelden. Hij liet zich wel heerlijk liggend in bed voorlezen. Vaak stopte ik dan op een spannend moment, en vroeg dan nonchalant of hij  “misschien zelf zin had om even door te lezen om te weten hoe het verder ging?” Nee, dat had hij niet. Dacht ik. Op een avond liep ik naar boven en zag nog een streep licht uit zijn slaapkamer komen. Ik deed de deur stilletjes verder open en zag dat hij het boek had opgepakt. Ik riep naar mijn vrouw: Casper leest, Casper leest!’ 

Luisterboeken

Ook als leerkracht had hij te maken met leerlingen die lezen lastig vonden. Met wat creativiteit kun je ook deze leerlingen enthousiast krijgen, zegt hij: ‘Voor die kinderen sprak ik het verhaal in, als luisterboek. In de klas hing ik vier koptelefoons op, die we samen grappend de melkmachine noemden. Op die manier konden de minder goede lezers met het boek voor zich, en de koptelefoon op hun hoofd het verhaal volgen. Ze vroegen dan zelf: mag ik aan de melkmachine meneer? Ook kinderen die wel goed waren in lezen wilden dat, zodat het heel gewoon werd. Het mooie was dat sommige zwakkere lezers naar verloop van tijd zeiden: “nee meester, vandaag hoef ik niet aan de melkmachine.”’ 

Criteria goede voorleesboeken

Of alle boeken zich lenen om voor te lezen, of dat er bepaalde criteria gelden voor een goed voorleesboek vindt hij lastig te zeggen. ‘Ik denk dat je als ouder of leerkracht goed moet kijken naar het kind en zijn of haar smaak. Actieve, en humorvolle boeken doen het vaak goed heb ik gemerkt. Dromerige verhalen – zoals het prachtige Lampje, van Annet Schaap, is meer smaak gebonden. En voordat je het bijna zou vergeten: vergeet niet om als voorlezer in ieder geval zélf affiniteit te hebben met het verhaal!’

Dit interview komt uit de Krant van Lezen #5, dé krant vol voorleestips en leuke interviews over lezen. Ben je benieuwd naar de Krant? Op landvanlezen.nl kan je 'm downloaden als pdf.

 

Headerafbeelding door Picsea op Unsplash

Er zijn nog geen reacties.