Hoe het werkt

De taken uit Taalmaker hebben een functioneel karakter en zijn gebaseerd op herkenbare en alledaagse taaluitingen (taalproducten). De leerlingen doorgronden de verschillende taaluitingen en leren om zichzelf op gelijksoortige wijze te uiten door middel van taal. Door leerlingen zelf een taak te laten kiezen, vergroot je de kans dat ze een taak maken die hen aanspreekt. Hun motivatie om met taal aan de slag te gaan, wordt zo vergroot. De taken van Taalmaker zijn flexibel en praktisch inzetbaar. Omdat leerlingen zelfstandig taalproducten maken, vereist Taalmaker nauwelijks voorbereidingstijd van jou als leerkracht.

De leerstof in Taalmaker is afgestemd op het referentiekader taal. In de drie boekjes die horen bij Op weg naar 1F komt leerstof aan bod die past bij een route naar niveau 1F (het fundamenteel niveau voor het basisonderwijs). De drie boekjes klimmen op in moeilijkheidsgraad. De boekjes bij Op weg naar 2F bevatten leerstofelementen die horen bij een route naar niveau 1S/2F (streefniveau voor het basisonderwijs). Ook deze drie boekjes verschillen in moeilijkheidsgraad. Dat heeft te maken met de complexiteit van de taak en het product. Bij boekjes op een lager niveau staan bijvoorbeeld de stappen die moeten worden gevolgd, meer uitgeschreven.

Bij Taalmaker ligt het accent vooral op het toepassen van taal in verschillende contexten. De activiteiten hierbij raken de verschillende taaldomeinen. Door de functionele insteek van de taken staat de communicatieve gerichtheid centraal. Bij de taken ligt de focus sterk op schrijven en schriftelijke communicatie. Daarnaast is er aandacht voor spreken/luisteren (bij de laatste opdracht). De mogelijkheden voor spreken/luisteren worden vergroot als gekozen wordt voor een werkvorm waarbij de gehele taak in duo’s of groepjes wordt gemaakt. Bij iedere taak wordt er aandacht besteed aan de moeilijke woorden en is er kort aandacht voor een onderwerp dat hoort bij taalbeschouwing en/of spelling.

Opbouw

Boven een taak van Taalmaker staat de doelstelling in leerlingtaal vermeld. De taak zelf bestaat uit vier fasen. Deze fasen worden na elkaar doorlopen. Het uitvoeren van een taak van Taalmaker duurt ongeveer 30 minuten, afhankelijk van het onderwerp. De leerlingen maken de opdrachten bij de taak op een blaadje of in een werkschrift. Voor het maken van de taalproducten zelf zijn soms andere materialen nodig. Dit staat dan bij de opdrachten vermeld.

Op verkenning

In de eerste fase ‘Op verkenning’ bekijken de leerlingen een taaluiting, zoals een uitnodiging of een spaarkaart. Naar aanleiding van die taaluiting gaan leerlingen aan de slag met twee verkennende opdrachten. Met behulp van deze opdrachten kijken ze gerichter naar de taaluiting en wordt mogelijke voorkennis geactiveerd.

Uitleg

De tweede fase is ‘Uitleg’. Dit is het instructiemoment in de taak. De uitleg is enerzijds een conclusie vanuit de verkenning en anderzijds de inhoudelijke instructie die nodig is om de volgende fase, waarin de verwerkingsopdrachten aan bod komen, te kunnen doorlopen.

Aan de slag

De derde fase is ‘Aan de slag’ en bevat de verwerkingsopdrachten. Bij deze opdrachten gaan de leerlingen stap voor stap zelf aan de slag met het maken van de taaluiting die aan de orde is. In het kader ‘Let op!’ vinden de leerlingen een lijstje met aandachtspunten. Deze aandachtspunten helpen tijdens het maken van het taalproduct. Ze kunnen ook achteraf gebruikt worden om het taalproduct nog eens kritisch te bekijken en bij te stellen.

Delen

De vierde fase is ‘Delen’. In deze fase kijkt de leerling terug en wordt er informatie uitgewisseld. In de eerste opdracht kijkt de leerling terug op het proces dat hij heeft doorlopen. Wat ging goed? Wat ging minder goed? Wat zou er de volgende keer anders kunnen? In de tweede opdracht bespreekt de leerling samen met een andere leerling het gemaakte taalproduct. Meningen worden uitgewisseld, ervaringen worden gedeeld. Met Taalmaker worden taalproducten gemaakt die echt door de leerlingen gebruikt kunnen worden. Daarvoor vindt de leerling tips in het kader ‘Ook leuk!’. Het daadwerkelijke gebruik van de taalproducten stimuleert de motivatie. Als je weet dat je taalproduct niet alleen door de juf, maar door (veel) anderen wordt gelezen of gezien, zal dit je inzet en motivatie om er iets goeds en moois van te maken, vergroten. Moeilijke woorden In Taalmaker is ook aandacht voor woordenschat. Moeilijke woorden worden in Taalmaker vet weergegeven. Onder aan de taak vindt de leerling de betekenis van deze woorden in het kader ‘Moeilijke woorden’. Bij de keuze voor de woorden is rekening gehouden met de moeilijkheidsgraad en de frequentie van woorden op een bepaalde leeftijd. Een deel van de woorden komt ook in Taal in beeld aan bod en wordt via Taalmaker nog eens aangeboden.

Samenwerkend leren

Bij het werken met Taalmaker zijn verschillende organisatievormen mogelijk. Omdat het bij Taalmaker gaat om extra stof, moeten de taken flexibel inzetbaar zijn.

De taken zijn zo opgesteld dat ze gemaakt kunnen worden door individuele leerlingen. Alleen bij de laatste opdracht, wanneer het gemaakte taalproduct als geheel wordt bekeken, wordt er samengewerkt met een andere leerling. Mocht het zo zijn dat er geen andere leerling mee kan kijken, dan kun je deze opdracht eventueel ook laten vervallen en op een later tijdstip gezamenlijk bespreken.

De taken zijn ook zeer geschikt om door duo’s of in groepjes te laten maken. Leerlingen doorlopen de vragen dan samen, overleggen daarover en komen tot een gezamenlijk eindproduct. Door elkaar suggesties te geven en te overleggen, verbreden leerlingen hun kennis en inzicht, en werken ze aan hun mondelinge taalvaardigheid. De laatste opdracht van een taak dient dan te worden uitgevoerd met een ander duo, een ander groepje of met de gehele klas.

Doordat de plustaken uit Taalmaker geschikt zijn voor een geïndividualiseerde, een samenwerkende (of zelfs klassikale) organisatievorm, hoef je niet te kiezen tussen interactief taalonderwijs of zelfstandig leren. Je kunt met Taalmaker de kracht van beide vormen combineren. Jij bepaalt in welke mate je de leerlingen direct begeleidt of meer zelfstandig aan de slag laat gaan. Dit maakt het werken met Taalmaker organisatorisch beheersbaar.

Toetsing en evaluatie

Bij Taalmaker is het belangrijk dat leerlingen aan de slag gaan met taal. Daarbij zijn goede of foute antwoorden op vragen over de taalproducten van minder belang. Doordat leerlingen nadenken over taal en daarover met elkaar in gesprek gaan, vergaren ze wezenlijke kennis over taal. Daarom hebben we ervoor gekozen de vragen zo veel mogelijk ‘open’ te stellen en geen antwoordbladen met (voorbeeld)antwoorden op te nemen. Dit betekent ook dat je als leerkracht in principe niet alle vragen hoeft na te kijken. Het gaat vooral om het taalproduct en het algemene proces om tot dit product te komen.

Bij de taken is bij iedere opdracht een pictogram opgenomen dat aangeeft wanneer leerlingen iets op moeten schrijven. Je kunt dit laten doen op een blaadje of in een werkschrift. Die antwoorden kun je later gebruiken om in een groter verband nog eens naar de gemaakte taalproducten te kijken of om inzicht te krijgen in het proces dat een leerling bij het maken van de taken heeft doorlopen.

Zoals eerder beschreven, zijn de plustaken van Taalmaker ontwikkeld vanuit het idee dat leerlingen zelf kunnen kiezen voor taken. Om inzichtelijk te maken aan welke taken precies is gewerkt, zijn er registratieformulieren ontwikkeld voor de leerlingen en voor jou als leerkracht. Voor de leerling zijn er twee registratiebladen: één met de taken die horen bij boekje 1, 2 en 3 (referentieniveau 1F) en één met de taken die horen bij boekje 4, 5 en 6 (2F). Op het moment dat de leerling een taak heeft afgerond, kan hij dat zichtbaar maken door de taak af te vinken op een van de twee registratiebladen. Voor de leerkracht is er een registratieblad per boekje. Hierop kun je bij iedere leerling aangeven welke taken zijn gemaakt.