Leerkracht Els Overbeeke over het werken met Code D

Enthousiasme, de kracht van herhaling en een brug slaan naar de belevingswereld van de leerling, dat zijn de basisingrediënten voor een goede les. Maar hoe doe je dat? Aan het woord is Els Overbeeke, al dertig jaar in het vak, co-auteur van Code D en covermodel op de Doris.

Je bent vakdocent wereldoriëntatie en burgerschap. Hoe vul je je vak in?

Met bezieling. Dat is natuurlijk een dooddoener, maar tegelijkertijd een waarheid als een koe. Enthousiaste leerkrachten kunnen leerlingen veel leren en dan is het mooi als ze daar de juiste instrumenten voor hebben. Je wilt een leerling bij de kladden pakken, zeg maar. Een aardrijkskundeles over riolering en waterzuivering begin ik dus met de vraag: ‘Waar gaat je poepie naar toe?’ Reken maar, dan heb je de aandacht.

Je hebt meegeschreven aan Code D. Vind je daarin je visie terug?

Jazeker! Code D sluit aan bij de visie van activerend onderwijs. We kennen allemaal de 21e-eeuwse vaardigheden. Code D sluit daar naadloos op aan. Samenwerken is belangrijk in Code D: leer van elkaar. Maar we sporen leerlingen ook aan om kritisch en creatief te denken want de opdrachten in Code D zijn geen ‘tekstje met vragen-opdrachten’ waarop het antwoord snel gevonden is. De leerlingen gaan met elkaar aan de slag en de leerkracht geeft voldoende denktijd en vervult een coachende rol.

‘Ik bedenk vooraf hoe de les in mijn groep gaat vallen.’

Kun je schetsen hoe je een les met Code D voorbereidt?

Ik neem de avond voor de les zelf de kijk- en denkopdrachten in het werkboek door zonder naar de antwoorden te kijken en bedenk: wat wordt hier gevraagd en hoe zullen de leerlingen dit gaan aanpakken? Pas dan pak ik de handleiding en de antwoorden erbij. Dat zijn maar twee pagina’s, dus lekker kort en krachtig. Dan bedenk ik hoe de les in mijn groep gaat vallen. Zijn er dingen waar ik rekening mee moet houden, spelen er gevoelige zaken, of zijn er juist leuke bruggetjes die ik kan slaan?

En de Doris, gebruik je die?

Zeker! Ik vind de Doris een echte ‘plus’ voor de leerkracht. Als je – ook voor jezelf – de lessen extra leuk en interessant wilt maken, pak je op de zondag voorafgaand aan een nieuw thema de Doris erbij. Want wereldoriëntatie is veelomvattend, dus het is ondoenlijk om bij elk onderwerp over voldoende achtergrondkennis te beschikken. Bovendien: cursussen voor het team gaan bijna altijd over lezen, rekenen of taal en zelden over de nieuwste didactische inzichten bij wereldoriëntatie. Daarom is de Doris zo fijn. Er staan inhoudelijke artikelen in (‘Toetanchamon, zijn leven, zijn graf, zijn vloek’) maar ook didactische (‘Goede kijkvragen stellen, zo doe je dat’). De Doris leest lekker weg en je steekt er echt iets van op, zodat je met meer zelfvertrouwen voor de groep staat.

‘De Doris is een echte plus voor de leerkracht: Hij leest lekker weg en je steekt er echt iets van op.’

Hoe verloopt een gemiddelde Code D-les bij jou?

De les zelf begint met de introductie. Daar staat tien minuten voor en die tijd neem ik ook echt. Ik start met een trigger. Soms haal ik die uit de handleiding, soms bedenk ik hem zelf, zoals de vraag ‘Waar gaat je poepie naartoe?’. Als iedereen is uitgelachen, blijft de vraag wel hangen. Ook grijp ik altijd even terug op de vorige les. De kracht van herhaling. Dan gaan de leerlingen de kijk- en denkopdrachten maken en echt actief aan de slag met de bronteksten, afbeeldingen en grafieken. Ze moeten combineren, zoeken en nadenken, samen bespreken waar het over gaat en pas dan antwoord geven. Ik geef ze hier ruim de tijd voor. Ondertussen loop ik rond en stuur waar nodig bij. En ik vind het ook heel belangrijk om de les goed af te sluiten. Dat doe ik consequent. ‘Wat was ook alweer het doel, wat hebben we nu geleerd?’

5 tips van Els voor een les die beklijft

  1. Vraag bij de introductie altijd terug naar de vorige les en sluit af met vragen als ‘Wat was ook alweer het doel? Wat heb je geleerd?’ Laat de leerlingen dit zelf verwoorden.
  2. Maak een thematafel zodat het thema altijd in de klas aanwezig is, ook als je een ander vak geeft. Op mijn thematafel liggen voorwerpen, boeken, afbeeldingen, noem maar op. Een thematafel stimuleert de leerlingen bovendien om zelf ook spullen mee te nemen.
  3. Sluit aan bij de eigen ervaringen van de leerlingen, sla een brug. Zorg dat ze voelen dat de lesstof te maken heeft met het leven nu, dat ze de onderwerpen uit de les tegenkomen in het dagelijks leven.
  4. Hang rond de thematafel de woorden op die passen bij het thema. Dat is goed voor de woordenschat en het is een mooie link naar de taalles.
  5. Maak een transfer naar andere lessen. Niet alleen naar taal, rekenen en lezen, maar ook naar handvaardigheid. In de Doris staan hiervoor leuke tips.
Reacties (0)

Geef een antwoord

Jouw email wordt niet gepubliceerd.

Toegevoegd aan winkelmand

Naar winkelmandje