Gratis Semsom downloads voor jouw bewegende en spelende rekenlessen

Wil jij ervaren hoe leuk en doeltreffend bewegend en spelend leren rekenen met Semsom is? Op deze pagina vind je handige downloads die je kunt gebruiken voor jouw bewegende en spelende rekenlessen. Voor ieder leerdoel hebben we een activiteit voor zowel binnen als buiten. Dus als het mooi weer is, kun je lekker naar buiten!

BOEM

Doel: Ik ken de buurtgetallen van getallen tot ten minste 50.
Materialen: Getalkaartjes tot 50, kaartjes met daarop BOEM.

  • Geef ieder tweetal ongeveer 20 getalkaartjes tot 50. Stop daar 2 kaartjes tussen met de tekst BOEM. Schud de kaartjes en maak er een stapel van.
  • Leg de stapel omgekeerd voor je neer. Pak om de beurt een kaart van de stapel. Benoem de buurgetallen van het getal.
  • Is het goed? Leg het kaartje naast je neer.
  • Is het fout? Leg het kaartje onder op de stapel.
  • Pak je het kaartje BOEM? Dan verlies je al je gewonnen kaartjes. Leg deze terug onder op de stapel. Het kaartje BOEM gaat uit het spel.
  • Wie heeft aan het eind de meeste kaarten gewonnen?

Download getalkaartjes tot 50 Download BOEM-kaartjes

Levend memory – buurgetallen

Doel: Ik ken de buurgetallen van getallen tot ten minste 50.
Materialen: 5 memorysetjes buurgetallen (per groepje).

  • Maak per groepje 5 memorysetjes met getalkaartjes van buurgetallen tot 50. Maak vanuit elk tientalgebied één setje. Denk bijvoorbeeld aan: 5/6, 11/12, 24/25, 36/37. Maak het moeilijker door meer setjes te maken in het getalgebied tussen de 30 en de 50. Sla steeds één of meer getallen tussen een setje over. Zo komt het spel altijd uit.
  • Verdeel de klas in groepjes van minimaal 4 leerlingen.
  • Zet elk groepje in een rij. Schud de kaartjes en leg deze op 5 meter afstand in een rij op de grond, met de getallen aan de onderzijde. Ren in tweetallen naar de kaartjes. Draai beiden één kaart om. Zijn het buurgetallen? Dan heb je memory. Geen buurgetallen? Draai de kaartjes terug. Ren terug. Tik twee nieuwe spelers aan. Welk groepje heeft als eerste alle setjes? Of als de tijd om is, de meeste?

Download getalkaartjes tot 50

Telestafette

Doel: Ik kan sprongen van 2, 5 en 10 maken tot ten minste 50.
Materialen: Voor deze opdracht heb je geen materialen nodig (Fijn hé).

  • Loop tellend door de klas: 2 – 4 – 6 en tik een leerling aan. Wanneer iemand je tikt, ga je staan. Tel in sprongen van 2 verder. Niet meer dan 3 getallen. Ga zelf op de stoel van de leerling zitten. Tel verder waar ik ben gebleven: 6 – … – …. Tik nu iemand aan die verder mag tellen. Ga op die stoel zitten. Ga door tot 50.
  • Uiteindelijk zitten er leerlingen op een andere stoel. Hieraan kun je zien wie er al aan de beurt is geweest. Herhaal het spel met de sprongen van 5 en 10.
  • Speel in kleine groepjes. Tik iemand aan uit je eigen groepje. Ga op de stoel zitten van degene die je aantikt. Zit iedereen op een andere stoel? Dan mag je weer aangetikt worden. Ga hierna op de tafel van de ander zitten. Herhaal het spel met sprongen van 5 en 10.

Springparcours

Doel: Ik kan sprongen van 2, 5 en 10 maken tot ten minste 50.
Materialen: Stoepkrijt, getalkaartjes, hoepels of tegels.

  • Spring samen op het plein de sprongen van 2 (vanaf 0 en 1), 5 en 10 (tot 50).
  • Maak 4 rijen met hoepels (of gebruik de tegels op het plein). Leg in de eerste drie hoepels getalkaartjes neer. Denk bijvoorbeeld aan: 2 – 4 – 6 (parcours 1), 1 – 3 – 5 (parcours 2), 0 – 5 – 10 (parcours 3) en 0 – 10 – 20 (parcours 4). Leg na verloop van tijd bij de sprongen van 2 andere getallen neer.
  • Spring in de hoepels en tel met de sprongen verder of terug.
  • Tip: Combineer het springparcours met andere rekendoelen. Geef ieder kind een getalkaart. Het getal op het kaartje is het startgetal.
  • Schrijf het getal met de buurgetallen met stoepkrijt op.
  • Zet een streep op de getallenlijn waar je getal hoort. Haal hierna een nieuw kaartje.

Download getalkaartjes tot 50

Kaartjesrace – splitsingen

Doel: Ik ken de splitsingen tot en met 10.
Materialen: Insteekhoezen, genummerde splitshuizen, getalkaartjes.

  • Maak voor iedere splitsing een genummerd splitshuis. Stop ieder splitshuis in een aparte insteekhoes met getallenkaartjes waarmee je het splitshuis kunt oplossen. Zorg ervoor dat je voor ieder groepje 1 splitshuis met kaartjes hebt en dat je één extra splitshuis hebt om te rouleren.
  • Maak tweetallen (of kleine groepjes). Geef ieder groepje een insteekhoes. Tel af. De leerlingen halen de getalkaartjes uit de hoes en leggen de kaartjes zo neer dat het splitshuis klopt.
  • Klaar? Laat de leerlingen de handen in de lucht steken. Klopt het? Dan krijgen de leerlingen de extra insteekhoes met een nieuwe splitsing. Neem de insteekhoes met kaartjes mee die de leerlingen hebben gemaakt. Zo kan je blijven rouleren.
  • Tip: Laat de leerlingen zelf de getalkaartjes maken. Geef ieder tweetal een genummerd splitshuis en blanco kaartjes.

Download getalkaartjes tot 50 Download splitshuizen

Splitsestafette

Doel: Ik ken de splitsingen tot en met 10.
Materialen: Splitshuizen (gelamineerd) en whiteboardstift (per groepje).

  • Maak groepjes. Leg voor elk groepje een gelamineerd splitshuis op 10 meter afstand. Kies welke splitsing je gaat oefenen. De helft van het splitshuis is ingevuld. De andere kant moeten de leerlingen invullen. De whiteboardstift is het estafettestokje.
  • Ren om de beurt naar het splitshuis. Vul één van de splitsingen in. Ren terug. Geef de stift aan de volgende. Welk groepje heeft als eerste alle splitsingen goed ingevuld?

Download splitshuizen

Stopdans

Doel: Ik ken de sommen tot en met 10.
Materialen: Somkaartjes tot 10, muziek.

  • Geef iedere leerling een kaartje met een som tot en met 10 (zonder antwoord).
  • Wanneer leerlingen muziek horen, lopen ze door de klas. Stopt de muziek? Geef degene die dicht bij je staat een high five. Los de som van de ander op. Ruil hierna van kaart. Ga weer lopen wanneer de muziek start. Bespreek tussendoor enkele antwoorden.
  • Tip: Geef in plaats van 1 somkaart meerdere somkaarten mee.

Download somkaartjes tot 10

Levend stratego

Doel: Ik ken de sommen tot en met 10.
Materialen: Somkaartjes tot 10 (in 2 kleuren – zonder antwoord), lintjes, 2 schatkisten.

  • Maak twee groepen. Geef iedere leerling een somkaart tot 10 (beide teams een eigen kleur). Wijs voor elk team een veilige plek aan op het plein. Hier staat de schatkist. Laat één team een lintje om doen.
  • Ga het veld in. Tik iemand van het andere team aan. Los de sommen op. Degene met het grootste antwoord wint het kaartje van de ander. Heb je evenveel? Dan wissel je van kaart. Breng het gewonnen kaartje naar de schatkist. Geen kaartje meer? Haal een nieuw kaartje bij de leerkracht.
  • De winnaar is het team met de meeste kaartjes.

Download somkaartjes tot 10

Ga staan wanneer het goed is…

Doel: Ik kan de hele en halve uren op de klok benoemen.
Materialen: Instructieklok of klok op het bord.

  • Zet op het digibord (of op een instructieklok) een tijdstip. Zeg hoe laat jij denkt dat het is.
  • Is het goed wat je zegt? Dan gaan de leerlingen staan. Is het fout? Dan blijven ze zitten. Misschien kijken de leerlingen je dan wel heel boos aan.
  • Vraag bij een fout wat het goede tijdstip is.

Levende klok

Doel: Ik kan de hele en halve uren op de klok benoemen.
Materialen: Stoepkrijt.

  • Maak viertallen. Teken voor elk viertal een klok zonder wijzers op het plein.
  • Noem een tijdstip. Laat twee leerlingen per klok de juiste tijd aangeven door op de grond te gaan liggen. Eén leerling is de grote wijzer, de ander de kleine wijzer. De twee die overblijven, geven aanwijzingen. Hierna zijn de volgende twee leerlingen van het viertal aan de beurt.
  • Om verschil te creëren tussen de grote en de kleine wijzer: de grote wijzer is armen in de lucht en de kleine wijzer is armen langs de zij.

Sneeuwballen

Doel: Ik kan bedragen maken met munten van 1 en 2 euro en biljetten van 5 en 10 euro.
Materialen: A4-papier en potlood.

  • Geef iedere leerling een A4-papier. Schrijf op het bord een getal tot 20.
  • De leerlingen tekenen op het papier het bedrag. Dit doen ze met munten van 1 en 2 euro en biljetten van 5 en 10 euro. Een munt is een rondje met het juiste bedrag (1 of 2), een biljet een rechthoek met het bedrag erin (5 of 10).
  • Iedereen klaar? Verfrommel het papier tot een bal. Gooi het op teken van de leerkracht door de lucht. Ieder pakt een prop papier en controleert. Teken enkele voorbeelden op het bord.
  • Speel het spel opnieuw met een ander bedrag.

Geldestafette

Doel: Ik kan bedragen maken met munten van 1 en 2 euro en biljetten van 5 en 10 euro.
Materialen: 6 genummerde insteekhoezen met speelgeld: 10x 1 euro, 10x 2 euro, 10x 5 euro en 10x 10 euro. Dobbelsteen (per groepje).

  • Nummer insteekhoezen van 1 tot 6. In elke hoes komt geld.
  • Verdeel het als volgt: 2 insteekhoezen met ieder 5x 1 euro, 2 insteekhoezen met ieder 5x 2 euro, 1 insteekhoes met 10x 5 euro, 1 insteekhoes met 10x 10 euro.
  • Leg de insteekhoezen verspreid over het plein.
  • Verdeel de leerlingen in groepjes. Geef ieder groepje een dobbelsteen.
  • Dobbel met de dobbelsteen. Ren naar de hoes met dat getal. Haal één munt of biljet eruit. Ren terug. De volgende mag nu. Is het geld uit een bepaalde hoes op? Dan heb je pech. Ren terug. Een ander mag nu dobbelen.
  • Stop als al het geld op is of als de tijd om is. Geef de opdracht: maak bedragen van 20 euro. Welk groepje kan het vaakst 20 euro maken? Dat heeft gewonnen.

Download speelgeld

De trein

Doel: Ik ken en gebruik de begrippen: links, rechts, tegenover en tussen.
Materialen: Voor deze opdracht heb je geen materialen nodig (Fijn hé).

  • Plaats drie leerlingen voor de groep. Vertel dat de drie leerlingen een trein vormen. Die trein beweegt zich door de klas. Geef aanwijzingen. Bijvoorbeeld: loop naar voren – stop – loop naar achteren – stop – loop naar links – stop. Daarna geeft de middelste van de trein de aanwijzingen.
  • De andere leerlingen formeren ook treinen. Nummer 1 van elke rij is de locomotief, nummer 2 en 3 de wagons. De middelste geeft aanwijzingen aan de locomotief. Hij gebruikt alleen de begrippen naar voren, naar achteren, links, rechts en tussendoor. De treintjes rijden langzaam door het lokaal en mogen elkaar niet aanraken. Wissel de rollen en herhaal het spel. Vorm een tweetal als het met drie niet uitkomt.
  • Tip: Doe deze activiteit in het speellokaal of op het plein. Maak het spannender door de locomotief met gesloten ogen te laten lopen.

Zoek de schat

Doel: Ik ken en gebruik de begrippen: links, rechts, tegenover en tussen.
Materialen: Een schat om te verstoppen (per tweetal).

  • De helft van de leerlingen verstopt iets op het plein. De andere helft van de klas wacht binnen.
  • Loop in tweetallen over het plein. Degene die iets verstopt heeft, loopt achter de ander aan. Geef aanwijzingen. Gebruik hierbij de begrippen: links, rechts, rechtdoor, tussendoor, tegenover en/of tussen. Lukt het om de schat te vinden?
  • Wissel hierna van rol. De ander verstopt de schat en geeft de aanwijzingen.

Patronen maken

Doel: Ik kan eenvoudige patronen afmaken.
Materialen: Materialen uit de klas of van het seizoen.

  • Geef uitleg over het maken van patronen.
  • Laat leerlingen patronen maken met diverse materialen. Denk aan de kralenplank, mozaïek, constructiematerialen.
  • Je kunt ook patronen maken met de leerlingen zelf, denk hierbij aan kleding (jurk – broek – rok), uiterlijke kenmerken (blond – bruin – blond) of geslacht (jongen – jongen – meisje).
  • Lukt het andere leerlingen om het patroon te achterhalen?
  • Teken het patroon na op een A4-papier en maak het verder af.
  • Tip: Werk je rondom thema’s, seizoenen of feestdagen? Verwerk dan het maken van patronen hierin. Gebruik speelgoedauto’s bij het thema verkeer. In de herfst maak je patronen met herfstproducten. Laat patronen maken op een uitgeprinte kerstboom.

Buiten patronen

Doel: Ik kan eenvoudige patronen afmaken.
Materialen: Materialen uit de natuur of buitenspelmateriaal.

  • Gebruik materialen uit de natuur (takjes, stenen, vruchten, bladeren) of buitenspelmateriaal van de kleuters. Laat de leerlingen in kleine groepjes patronen maken met deze materialen.
  • Wijs vervolgens de groepjes leerlingen een ander gemaakt patroon toe. Geef hierbij de volgende opdracht: Maak het patroon van het andere groepje af.
  • Stimuleer dat leerlingen met elkaar het patroon hardop verwoorden.
  • Tip: Kijk buiten goed om je heen. Zie je ergens patronen?

Meer weten over bewegend en spelend rekenen?

Lees dan het artikel ‘6 pijlers voor goed aanvankelijk rekenen in groep 3‘ en download het gratis whitepaper!

Reacties (0)

Geef een reactie

Jouw email wordt niet gepubliceerd.