10 tips om te werken met de coöperatieve werkvormen van Kagan

Leerlingen houden van praten en bewegen. Het is fijn dat dit ook helpt bij het leren, mits het gestructureerd gebeurt. Met de coöperatieve werkvormen van Dr. Spencer Kagan hou je overzicht op wát je leerlingen leren. Maar hoe kun je snel starten met deze coöperatieve werkvormen? Wat moet je van te voren regelen? Waar moet je op letten tijdens de opdracht om de werkvormen succesvol te laten zijn? Lees snel verder!

Wist je dat de coöperatieve werkvormen van Dr. Spencer Kagan in onze nieuwe taalmethode Taaljacht bij elke les terugkomen? Dat is uniek: in Nederland mogen alleen wij de werkvormen van Kagan gebruiken!

Waarom coöperatieve werkvormen?

Iedere leerling levert een bijdrage

Coöperatieve werkvormen kunnen worden ingezet om alle leerlingen te laten leren. Als je de stappen precies volgt is er sprake van gelijke deelname: alle leerlingen krijgen de beurt, ze hebben evenveel tijd om te vertellen en ze schrijven met een eigen kleur pen. Zo zie je wat ze bijgedragen hebben. De stappen van de coöperatieve werkvormen garanderen dat iedere leerling een bijdrage moet leveren. Dit doen ze doordat ze zelf iets zeggen of vertellen of doordat ze opschrijven wat hun medeleerling zegt. Dit zorgt dat alle leerlingen leren, maar ook ervaren ze zo dat hun bijdrage er toe doet.

Iedere leerling krijgt gelijk feedback

Daarnaast luistert en kijkt een medeleerling mee die direct feedback kan geven op hun bijdrage. Het leren wordt dus gelijk bijgestuurd door een medeleerling. Of die medeleerling is een voorbeeld waardoor de leerling beter begrijpt wat de bedoeling van een activiteit is om het lesdoel te behalen. Door leerlingen tegelijk in tafelgroepjes te laten werken geeft niet één leerling een presentatie, krijgt niet één leerling een beurt of feedback maar is wel 50% procent van je klas actief en betrokken aan het werk.

Dit zijn de coöperatieve werkvormen van Dr. Spencer Kagan

Bekijk ze in onderstaande afbeelding. Klik eventueel op de afbeelding om deze te vergroten.

De coöperatieve werkvormen van Kagan
De coöperatieve werkvormen van Dr. Spencer Kagan

Hoe organiseer je je klas om optimaal te werken met de coöperatieve werkvormen? Tien tips

Tip 1: Gebruik een signaal voor aandacht

Gebruik een signaal om snel de aandacht te krijgen van de leerlingen. Leerlingen hebben in 3- 5 seconden aandacht voor jou. Dat kan met een klap- signaal, een liedje, een beweging of het Focus signaal waarbij jij je hand opsteekt en zegt: “Focus”. De leerlingen doen mee en waarschuwen anderen.

Tip 2: Geef leerlingen specifieke denktijd

Geef denktijd als dat in de werkvorm wordt aangegeven. Denktijd duurt 5-8 seconden. Dit zorgt ervoor dat leerlingen meer nadenken over het antwoord voordat ze mogen reageren. Hierdoor neemt de kwaliteit van het antwoord dat leerlingen geven, toe.

Tip 3: Zorg dat alle leerlingen aan de beurt komen

Om te zorgen dat alle leerlingen aan de beurt komen, werk je veel met het willekeurig kiezen van leerlingen: wie mag beginnen, wie mag (in koor) antwoorden, wie mag iets ophalen, … Gebruik hiervoor een manier waardoor alle leerlingen aan de beurt komen, bijvoorbeeld alle leerlingen die het dichtst bij het bord zitten, bij deur zitten of eenvoudigweg alfabetisch. Een random groepsindeling en een random startende leerling is eerlijk en rechtvaardig, waardoor er weinig ruis in de klas ontstaat.

Tip 4: Nummer de plaatsen van de tafelgroepjes

Het gebruik van plaatsnummers is handig bij simultaan klassenmanagement: alle leerlingen op plaatsnummer 1 halen wisbordjes op; alle leerlingen op plaatsnummer 2 beginnen met een RondPraat. Hierdoor heb je de leerlingen snel aan het werk. Nummer de plaatsen, niet de kinderen. Zodra kinderen van plaats veranderen, hebben ze ook een ander plaatsnummer.

Voor het nummeren van de plaatsen kun je de ManageMat gebruiken. Wanneer leerlingen dan op een andere plaats zitten, weten ze gelijk welk plaatsnummer ze hebben.

Tip 5: Benoem wie schoudermaatjes zijn en wie oogmaatjes

Schoudermaatjes zijn de leerlingen die naast elkaar zitten. Oogmaatjes zijn de leerlingen die tegenover elkaar zitten.

Tip 6: Werk in tafelgroepjes van 4 of 3 leerlingen

Werk in tafelgroepjes van 4 of 3 leerlingen. Kan het echt niet anders, maak dan een groepje van 5 leerlingen. Zet de tafels dwars ten opzichte van het bord; zie tekeningen. Zo heeft elke leerling een schouder- en oogmaatje en moet elke leerling draaien naar het bord. Zo is het eerlijk en rechtvaardig voor elke leerling, en geef je impliciet de boodschap: iedere leerling is even belangrijk, iedereen doet mee, alle leerlingen leren.

Tip 7: Loop rond

Zet de tafels zo neer dat jij makkelijk kunt rondlopen en dat leerlingen hun stoel een kwartslag moeten draaien naar het bord. Het blauwe is jouw loopronde. Zo zie je iedere leerling.

Maak een handige looproute voor jezelf

Tip 8: Wees spaarzaam met nabespreken

Kies zorgvuldig wanneer je de resultaten nabespreekt: heeft het een doel of is het dunnetjes overdoen wat kinderen al in twee-/viertallen hebben gedaan? In het laatste geval bespreek je het niet na. Je loopt rond en noteert op een wisbordje wat kinderen zeggen. Na afloop geef je zelf globaal terug wat je op je wisbordje hebt genoteerd. Je bespreekt wel iets na met de leerlingen als het nodig is hun denken aan te scherpen, of als het informatie is die gebruikt kan worden bij een vervolgopdracht.

Tip 9: Sociale vaardigheden – geef een voorbeeld van een compliment

Tijdens de uitvoering van een Coöperatieve werkvormen oefenen de leerlingen impliciet ook sociale vaardigheden. Een sociale vaardigheid die veel voorkomt is complimenteren, of prijzen. Om te voorkomen dat de leerlingen alleen: ‘Goed gedaan’ zeggen, helpt het als jij een voorbeeldzin geeft zodat leerlingen wat gevarieerder in hun taal worden bij het complimenten geven. Bijvoorbeeld na een Twee- Gesprek Op Tijd: ‘Wat ben jij een goede verteller, ik luister graag naar jou’ of ‘Wat kan jij dat goed uit- leggen, ik begrijp nu beter wat jij denkt.’ Als je deze complimenten voorzegt, zeggen leerlingen dit met een lach na. Daardoor voelt de spreker zich goed en onthoudt dit gevoel voor een volgende keer. Als je het geven van dit soort voorbeeldzinnen met een compliment een tijd volhoudt, gaan leerlingen op een gegeven moment zelf complimenten bedenken.

Tip 10: Laat de coachende leerling na een tip opnieuw de vraag stellen

Een andere voorkomende sociale vaardigheid is het coachen van een medeleerling. Bij het coachen van een medeleerling moet de coach altijd het antwoord op de vraag bij de hand hebben. Anders kan hij/zij niet coachen. Het antwoord kan staan op de achterkant van een vraagkaartje, in een antwoord- boekje, op een hulpmiddel, een voorbeeld op het bord of aan de wand of in een aantekeningenschriftje.

De regel bij coachen is: tip – tip – vertel. De coachende leerling geeft dus maximaal twee keer een tip; weet de leerling het antwoord dan nog niet, dan legt de coach uit wat het antwoord is. Belangrijk is dat de coach na elke tip opnieuw de vraag stelt, zodat vraag en antwoord goed inslijpen. Ook na het geven van het antwoord door de coach stelt de coach de vraag opnieuw en geeft de gecoachte leerling nu zelf het antwoord.

Coöperatieve werkvormen in taalmethode Taaljacht

Wil je specifiek weten welke coöperatieve werkvormen er in Taaljacht worden toegepast?

Meer lezen over het inzetten van werkvormen in de klas? Lees ook: Rubric in je Taalles: zo ga je ermee aan de slag!

Reacties (0)

Geef een antwoord

Jouw email wordt niet gepubliceerd.

Toegevoegd aan winkelmand

Naar winkelmandje